« Auteursrecht | Home | Inbakeren »
Column (2)
door Mandy | 24 september 2008
Wie columnist wil worden in een mama-blad in een tijd waarin mama’s worstelen met de combinatie carrière, kroost en quality time, levert geen stukjes in over de avonturen van haar peuter. Ik deed deed het wel en kreeg een afwijzing. Die stukjes plaats ik hier.
De geboorte van zijn broertje Teun maait de grootste zekerheid in Jans leven weg. De zekerheid dat papa en mama er altijd voor hem, en voor hem alleen, zijn. Overdag merken we daar helemaal niets van. Dat ik Teun regelmatig de borst geef, lijkt hij al na twee dagen niet eens meer te zíen. Teun de borst, Jan een beker. Alsof het nooit anders is geweest. Ja, Jan redt zich wel. Tot het avond wordt. Dan wordt alles ineens anders. Zijn bad- en bedritueel (lekker rondrennen op de overloop, uitgebreid badderen, samen het nachtlampje in het stopcontact steken en nog even keuvelen over de dag van vandaag) werken we zoals altijd af. Maar daarna gaat het helemaal mis. Als het nachtlampje brandt en ons kletspraatje klaar is, ziet Jan vanuit zijn bed hoe wij zijn slaapkamerdeur dichtdoen en komt het besef dat hij moederziel alleen achterblijft. In de stilte van zijn kamer hoort hij hoe zijn broertje in een andere kamer jammert van de buikkramp. Hij hoort onze voetstappen naar de wieg gaan, weet dat we Teun even oppakken en vindt het vreselijk oneerlijk. Hoe kunnen zíjn ouders aandacht hebben voor nóg een kindje, terwijl hij in zijn uppie in een nagenoeg donkere kamer moet liggen? Het geluid van het krakende laminaat dat ons vertrek van de bovenverdieping aankondigt, is voor hem het toppunt. Jan besluit zijn portie aandacht te gaan halen. Hij kruipt zijn bed uit en loopt de overloop op. Dat doet hij niet één keer, niet twee keer, niet drie keer. Hij doet het drie kwartier lang en helpt daarmee elke kans op een paar uurtjes rust voor ons, zonder peuter en zonder baby, vakkundig om zeep. Het valt niet mee om daar korte metten mee te maken. We doen het à la nanny Jo Frost: kind oppakken en terugleggen. Koel en zakelijk. Niets zeggen, geen aai over zijn bol, liefst geen oogcontact. Een peulenschil op tv, een beproeving in het echt. Slapjanussen vond ik het, ouders die de krokodillentranen van hun kind niet konden negeren en die met elke knuffel de slaapproblemen in stand hielden. Nu ik mag laten zien dat ik het wél kan, blijk ik een held op sokken. Ik kan het gehuil van mijn door verlatingsangst getergde kind nauwelijks aan. Maar het is waar. Elke zoen die we hem tóch geven, stimuleert Jan om nóg een keer uit bed te komen. ‘Zie je wel?’ zie ik hem denken. ‘Als ik maar uit bed kom, krijg ik wat ik wil: volledige aandacht.’ Hooguit drie weken, voorspelt de wijkverpleegkundige de duur van het beddrama. Ze is bij ons op huisbezoek voor Teun en ziet de donkere kringen onder onze ogen. Jan heeft maling aan haar prognose. Hij voelt zich door ons bedondert. En pepert ons dat in. Acht weken lang.
Lees ook: Column (1)
Rubriek: Opvoeding, Persoonlijk | Geen reacties »














